Home  
|
  Welkom  
|
  Route  |  Reisverslag  |  Foto's  
|
  Film  
|
  Info  
|
  Contact
 
Peru  
|
  Bolivia  |  Argentinië  |  Chili  |  Paaseiland  |  Chili

Peru

 

27 augustus Düsseldorf - Madrid
28 augustus Madrid - Lima - Arequipa
29 augustus Arequipa: Santa Catalina klooster
30 augustus Colca Canyon: Chivay
31 augustus Colca Canyon: condors
1 september Arequipa: Yanahuara
2 september Cuzco: sightseeing
3 september Cuzco: Sacred Valley of the Incas
4 september Cuzco: Salineras en Moray
5 september Cuzco: Sacsayhuamán
6 september Inca Trail: dag 1
7 september Inca Trail: dag 2
8 september Inca Trail: dag 3
9 september Inca Trail: dag 4 en Machu Picchu
10 september Cuzco
11 september Cuzco - Puno
12 september Puno: Sillustani
13 september Puno: Uros-eilanden en Taquile




Donderdag 27 augustus


Het vertrek

“Twee maanden, hoe krijg je dat voor elkaar?” Dat is de eerste vraag die mensen stellen als we vertellen dat we voor 2 maanden naar Zuid-Amerika gaan.

Want eindelijk is het dan weer zover; we verruilen ons gewone leventje in het toch wel saaie Nederland voor spanning, nieuwe culturen, fascinerende landschappen, vriendelijke mensen en – natuurlijk – mooier weer. Twee maanden lang geen onderbroeken strijken, met wattips de hoekjes van de kamer schoonmaken en de stoep stofzuigen, mijn geluk kan niet op ;-)

Heerlijk om dit in het vooruitzicht te hebben, en zodra de deur in het slot valt kan de vakantie beginnen. Na ruim een uurtje rijden komen we aan bij het vliegveld van Düsseldorf.

We hebben een heel traject voor de boeg; we vliegen met Lan vanaf Düsseldorf via Madrid naar Lima in Peru, vanwaar we vrijwel meteen weer doorvliegen naar Arequipa, een stad in de Andes die in een actief gebied van vulkanen en aardbevingen ligt op een hoogte van 2380 m. Arequipa is dan ook een goede plek om alvast een beetje aan de hoogte te wennen aangezien het grootste gedeelte van onze vakantie zal afspelen op grote hoogte.


Vrijdag 28 augustus


Kanariepietjes...

11 uur. De zon schijnt als het vliegtuig tegen een decor van besneeuwde bergtoppen en vulkanen de landing inzet. We zijn gearriveerd in warm Arequipa, waar onze reis begint met het gebruikelijke onderhandelen over de prijs van een taxi. Na enig handjeklap volgen we de chauffeur even later dan ook naar zijn auto waar we enigszins argwanend instappen omdat de auto allesbehalve een taxi-uitstraling heeft. Het zal toch niet waar zijn dat we in 5 minuten op Peruaanse bodem al meteen in een louche auto zijn gestapt?

Als we even later de echte taxi’s van Arequipa zien rijden – kanariegele handtassen op wielen uitgebouwd met allerlei spoilers om de auto toch nog wat meer aanzien te geven (tevergeefs overigens) – begrijpen we ook waarom we in een andere auto zitten. De kanariepietjes-autootjes hebben het formaat van een Suzuki Alto en zit je zelf al soepeltjes met je knieën in je nek geklemd tussen dak, zijkant en je buurman/vrouw, plaats voor extra bagage is er gewoonweg niet.

Gelukkig worden we door onze ‘undercover’-taxi netjes bij ons vooraf besproken en midden in het centrum gelegen hostel El Caminante Class afgezet, waarna we ons bed nog even van dichtbij bekijken voor een uurtje of 2. Daarna is het tijd om het centrum te gaan verkennen en dus struinen we de straatjes rondom de Plaza de Armas af. Op straat is veel lawaai; oude rammelende brikken van auto’s die verstikkende zwarte rookwolken uitbraken, grote zwermen van voorbij vliegende ‘kanarie’s’ en politieagenten – met een soort van charmante huishoudhandschoenen aan maar dan in het zwart – staan met woest zwaaiende bewegingen en schelle scheidsrechtersfluitjes het verkeer te ontregelen…


Zaterdag 29 augustus


Afzien in Arequipa...

Dat Arequipa een mooie stad is blijkt wel uit de talloze koloniale gebouwen, de gezellige en kleurrijke patio’s met terrasjes, het mooie groene en met palmbomen omzoomde plein Plaza de Armas en de kathedraal die daaraan ligt. En dit alles omringt door besneeuwde vulkanen, tegen een strakblauwe lucht en met een temperatuur van zo’n 25 graden. Echt afzien dus hier in Arequipa.

Dat het allemaal nog mooier kan, blijkt even later als we het Santa Catalina klooster gaan bezoeken. Het klooster bestaat uit een wirwar van straatjes, binnenpleinen en gebouwtjes waarvan de muren in de meest felle kleuren rood of blauw zijn geverfd. Het hele klooster blijkt versierd met potten, planten en bloemen en dit alles bij elkaar maakt het tot een prachtige en zeer fotogenieke omgeving waar we de nodige uurtjes vertoeven.

De rest van de middag vullen we met het boeken van een 2-daagse Colca Canyon tour, rondslenteren in het oude centrum en we bekijken de mensen op het plein vanaf het balkon aan de Plaza de Armas onder het genot van een hapje en een drankje. Er is veel bedrijvigheid rond het plein; honderden duiven fladderen telkens onhandig de lucht in als kinderen dwars door hun diner rennen, mannen tikken brieven voor analfabeten op typemachines die niet zouden misstaan in het oudheidkundig museum, talloze schoenpoetsers zitten hoopvol te wachten op die ene klant die voor 1 sol (0,25 euro) zijn of haar schoenen weer toonbaar wil hebben en straatverkopers proberen van alles en nog wat te slijten. Wij vermaken ons hier wel!


Zondag 30 augustus


Wollige wezentjes...

Na een hele beroerde nacht met veel straatlawaai worden we ’s ochtends opgehaald door iemand van Colca Trek voor de 2-daagse tocht naar de Colca Canyon.

We duiken met ons busje het verkeer in van Arequipa wat ons – na Egypte – erg rustig en ordelijk overkomt. Ook de wegen lijken in eerste instantie goed, stoplichten dienen hier voor de verandering niet alleen maar om kleur in de straat te brengen, en drempels kennen ze hier ook. Helaas blijkt de buschauffeur net zoveel te houden van remmen voor drempels als ik van spruitjes houd, wat betekent dat we na een drempel meestal tegen het plafond aangeplakt zitten. Daarbij is toeteren hier tot de tweede taal verheven. Toeteren doe je niet alleen in gevaarlijke verkeerssituaties, maar ook in geval van het zien van vrouwen, voor elke willekeurige bocht, bij het zien van kinderen, om aan te geven dat iedereen uit de weg moet gaan, bij het zien van honden, om aan te geven dat er nog plek is in de bus en waarschijnlijk ook uit verveling als een van bovenstaande situaties zich al minstens een minuut niet heeft voorgedaan. Tja.

Goed. We zijn Arequipa nog niet uit en het landschap lijkt totaal verlaten. We zitten al snel op een hoogte van 4000 m en vulkaan Misti blijft het landschap domineren. Het duurt echter niet lang of we zien onze eerste vicuña’s. Vicuña’s behoren tot de kameelachtigen, net zoals de lama, de guanaco en alpaca. Het zijn sierlijke, maar weliswaar wel wat verlegen beestjes; het lukt maar moeilijk om ze van dichtbij te fotograferen.

Na een tijdje houden we een stop bij het enige restaurantje in de wijde omgeving. Nou ja, restaurantje… In het gebouw bevinden zich een paar tafels met stoelen, elk hoekje verder is volgepropt met souvenirs en de menukaart bestaat voornamelijk uit cocathee, cocafrisdrank, cocasnoepjes en cocabladeren.

Coca is een plant die zijn oorsprong vindt in Zuid-Amerika en die groeit op grotere hoogte. Coca wordt in het noordelijke Andesgebied, met name in Bolivia en Peru, gedronken als thee (mate de coca), en gekauwd als middel tegen hoogteziekte. Door het kauwen van coca neemt het uithoudingsvermogen toe, verbetert de ademhaling en de zuurstofwisseling, en wordt het verbruik van glucose gereguleerd. Cocathee voor ons dus. Men neme een handvol bladeren, doe deze in een grote mok, giet er kokend water op en laat het even trekken. Lekker!

Na deze oppepper kunnen we er weer tegenaan en we gaan weer op pad. Uren rijden we door het prachtige desolate landschap en ondertussen stijgen we behoorlijk. We moeten dan ook een pas over van 4910 m hoog! Het begint te kriebelen. Ik had dat boekje ook niet moeten lezen. Maar dat heb ik wel gedaan en nu is het te laat. Ik snoep me suf aan de cocasnoepjes, drink me te pletter aan water en cocafrisdrank en alcohol en koffie heb ik mezelf al dagen angstvallig verboden.

De eerste stappen op 4900 m hoog blijken echter minder zwaar dan verwacht; ik stort niet ter aarde, hoest geen bloed en mijn hersenen worden niet te groot voor mijn hoofd. Ik doe niet raar, praat geen onzin. Zouden die verhalen over hoogteziekte die ik heb gelezen in mijn 'Hoe blijf ik gezond in de hoogte'-boekje dan allemaal zwaar overdreven zijn? De zuurstoffles prominent aanwezig in onze bus doet toch echt anders vermoeden.

Na de pas – en ik leef nog steeds – volgen we een slingerweg naar beneden en we zien onze eindbestemming Chivay in de verte liggen. We stoppen langs de kant van de weg bij wat souvenirkraampjes en waar de meeste medereizigers druk aan het onderhandelen gaan over de vele souvenirs valt mijn oog op iets veel leukers. Een klein wollig, koddig, krullerig en X-benig schepsel met grote bruine kijkers en lange witte wimpers kijkt mij verwachtingsvol aan. Mijn eerste alpaca, een baby-alpaca nog wel, en ik ben op slag verliefd. Al knuffelend en woelend door de superzachte vacht – het lijken net watten – smeed ik al plannen om er twee in de achtertuin te zetten in Nederland...

Met moeite ruk ik mij los (lees: Martijn rukt mij letterlijk los) van dit wonderbaarlijk uitziende schepsel en met tegenzin wurm ik mij weer in de bus. Niet lang daarna bereiken we Chivay, dat op 3635 m in de Colca Vallei ligt.

Eerst doen we een 2 uur durende hike door de Vallei voordat we afgezet worden bij ons zeer koude hostel. Je kan goed merken dat het op deze hoogte een stuk kouder is dan in Arequipa, en dan vooral als de zon eenmaal is ondergegaan. Dat belooft wat voor komende nacht…

‘s Avonds maken we – na enigszins getwijfeld te hebben – de fout om gezamenlijk te gaan eten; we belanden in een soort van vreetschuur met lange ongezellige tafels die helemaal volgepropt zijn met buitenlanders die er klaarblijkelijk ook ingestonken zijn. Vergeleken met wat we – tot nu toe dan – op gastronomisch gebied gewend zijn in Peru blijkt de bediening ronduit slecht, de prijzen aan de hoge kant en het eten onder de middenmaat. Er wordt folkloristisch gedanst en er is een heus panfluitorkest. En de avond kan helemaal niet meer stuk als de dansers het ook nog eens – hoe kan het ook anders – op ons voorzien hebben; we moeten meedansen. Hebben wij weer; juist aan dit soort vermaak hebben wij een gruwelijke hekel en juist ons pikken ze er nu weer uit. We bedanken dan ook vriendelijk voor de eer en gelukkig weten ze een paar andere slachtoffers te vinden die even later schuddend op de grond (?) hun voordrachtje liggen te doen. Ieder zijn ding zullen we maar zeggen.

Al snel houden we het dan ook voor gezien en zoeken ons hostel op. Het is onwijs koud en nergens is verwarming. Dan maar een warme douche, al kom ik daar na 2 minuten onder een klein pielstraaltje gestaan te hebben alsnog – 2 keer zo koud – van terug. We kruipen onder de stapel loodzware alpacadekens, warm dat wel, maar bewegen is er niet bij...


Maandag 31 augustus


Heersers in de lucht

Na toch wel goed geslapen te hebben en geen last te hebben gehad van de hoogte, staan we op het onmenselijke tijdstip van 5 uur op. Ja, je moet er wat voor over hebben om de condors te zien! De condors zweven nl. op thermiek en die is het beste vroeg in de ochtend en ’s avonds. We gaan dus op weg naar de Cruz del Condor, een plek waar je ze het beste kan zien. ALS we ze zien dan, want het is niet zeker dat we ze ook daadwerkelijk te zien krijgen. We zullen dus geluk moeten hebben en helaas komt dat woord in ons vocabulair niet veelvuldig voor. Op hoop van zegen dus.

De Colca Canyon. Twee keer zo diep als de Grand Canyon en zoals al gezegd woongebied van de Andescondor. De Andescondor is het symbool van het Andesgebergte. Het is een grote roofvogel die behoort tot de Amerikaanse gieren en het is een van de grootste vliegende vogels ter wereld met een spanwijdte tot vier meter. Hij nestelt op nauwelijks toegankelijke rotsrichels en bij uitzondering vangt hij levende lamajongen en hertenkalfjes. Een Andescondor kan tot 70 jaar oud worden, maar omdat de condor slechts één ei in de twee jaar uitbroedt, de mens erop jaagt en prooidieren vergiftigt, wordt de Andescondor nu ernstig bedreigd.

De tocht door de Colca Canyon is mooi; we rijden door miniscule dorpjes, langs diepe afgronden en zien prachtige Incaterrassen. Als we aankomen bij Cruz del Condor zien we niet zoveel. Althans, geen condors. Toch zoeken we een goed plaatsje op en wachten.

Dan gebeurt het.

Plotseling komt daar ineens uit de diepte een reusachtige condor achter de berg uit gevlogen. En nog één. En nog één! Schitterend hoe ze vliegen en soms scheren ze rakelings langs onze hoofden. Ik moet bekennen dat ik zelden zo opgewonden werd van een stel vogels. Ze zijn imposant. De heerser in de lucht. De vlucht van de condor in een schitterende landschappelijke setting. Wel lastig om ze te fotograferen, want wat zijn ze snel! We bekijken het schouwspel van zo’n 10 condors die een showtje weggeven en de camera’s blijven maar klikken. Wat een geluk!

Als de condors na een tijdje weer verdwijnen maken we nog een mooie wandeling langs de rand van de kloof, met wederom weergaloze uitzichten.

Na een lunch in Chivay rijden we weer door hetzelfde adembenemende landschap als gisteren terug naar Arequipa, waar we in de avond aankomen.


Dinsdag 1 september


Een keertje geluk...

Vandaag hebben we nog een dagje in Arequipa te besteden, vanavond zullen we de nachtbus nemen richting Cuzco. We besluiten een taxi naar de wijk Yanahuara te nemen voor een mooi uitzicht op de 3 vulkanen en de stad zelf, maar eenmaal daar aangekomen valt het uitzicht eigenlijk wel een beetje tegen. We lopen dus maar weer terug naar de Plaza de Armas, en vullen de rest van de dag met terrasjes, shoppen, wandelen, internetten en lekker eten – onze verslaving aan empanada’s is geboren.

’s Avonds nemen we een taxi naar de Terrapuerta, het busstation van Arequipa. Het centrale busstation van Arequipa krioelt van de mensen. Verkopers, dieven met hulpvaardige en vooral snelle handjes en toeristen die angstvallig hun boeltje bewaken. We checken dan ook maar snel in bij de balie van Cruz del Sur en meteen valt op hoe luxe het er allemaal aan toe gaat. We mogen in de wachtruimte plaatsnemen, een soort lounge met grote, zachte stoelen en gratis internet.

Busritten in Peru. Veel heb ik erover gelezen en dat was vaak niet veel goeds. Berichten over ongelukken, slapende chauffeurs, overvallen en kidnappingen zijn er in overvloed. Met gemengde gevoelens kijk ik dan ook tegen onze komende busrit aan, maar ik troost me met de gedachte dat Cruz del Sur één van de beste en veiligste maatschappijen is.

Als we eenmaal plaatsnemen in de bus – we hebben één van de negen VIP-plaatsen onderin de bus – lijkt het net of we gaan vliegen; er is een soort van stewardess die rondloopt en ons eten en drinken brengt en we hebben grote brede stoelen die in slaapstand kunnen. Ook op het gebied van veiligheid lijkt alles dik in orde; er zijn 2 chauffeurs die elkaar afwisselen, er is een GPS-systeem aan boord waardoor we getraceerd kunnen worden (als de bus bijv. op een ongewone plek langer dan 5 minuten stilstaat dan wordt er actie ondernomen), de bus stopt verder nergens, de bus heeft een soort radar die voorwerpen op de weg traceert en de bus heeft 4 wielen aan de voorkant zodat het erg comfortabel rijden is en we de hobbels en gaten niet voelen. Al met al dus best een veilig geheel.

Tot dusver nog goed. Iedereen wordt op de foto gezet (veiligheidsmaatregel?) en na het uitdelen van een broodje kip en 85 promotiefilmpjes later begint er een film... geluid keihard, in het Spaans en zonder ondertiteling. Gelukkig onderbreekt de stewardess deze kwelling met, wat later blijkt, een nog grotere kwelling; BINGO! Jawel, bingo. De hoofdprijs is een gratis busticket, helaas wel terug naar Arequipa. We moeten dus verliezen. Tja. En dan weten we genoeg.

Ik heb zowaar ‘geluk’. Bingo. Mijn kaartje vol. Jippie.


Woensdag 2 september


Incamekka Cuzco

Na zo’n 10 uur bussen komen we ’s ochtends vroeg gebroken aan in Incamekka Cuzco. De bus reed comfortabel, de chauffeurs waren geen Schumachers, we zijn niet overvallen en we leven nog. Maar toch; slapen in een bewegend iets is voor mij absoluut niet weggelegd, daar ben ik inmiddels wel achter.

We nemen een taxi naar hostel Piccola Locanda en gaan op weg voor een ontbijtje. Meteen maken we kennis met de straatjes van Cuzco; smal, klein, mooi en vooral errug steil. De hoogte, Cuzco ligt op 3300 m, en het omhoog lopen is geen goede combinatie; je lichaam heeft op deze hoogte minder zuurstof ter beschikking en dat merk je goed bij inspanning. Dat echter ook de plaatselijke bevolking hier last van heeft blijkt later als we ook deze hijgend en puffend voorbij zien komen...

Vandaag doen we dan ook rustig aan en we lopen wat door de gezellige straatjes van Cuzco. Een aantal dingen vallen ons eigenlijk direct op;
- Cuzco heeft 350.000 inwoners, maar het heeft de uitstraling van een gezellig bergdorje van hooguit een paar duizend inwoners.
- Er zijn overal erg veel honden, in alle soorten, maten en kleuren, maar ze zien er stuk voor stuk allemaal goed en doorvoed uit.
- Iedereen hier draagt een muts, al vallen de mussen van de daken.
- Cuzco is erg toeristisch; vrouwtjes in klederdracht en kinderen met lammetjes vragen of je een foto – uiteraard tegen betaling – van ze wil maken, om de 5 meter worden wij belaagd door meisjes die ons een massage aan willen bieden, en verkopers die tekeningen, foto’s of mutsen aan je willen slijten. En o ja, er is een Mc Donalds.

Dat het hier inderdaad toeristisch is wordt ook nog even bevestigd door de steeds lichter wordende portemonnee; toeristen en hoge prijzen zijn helaas onlosmakelijk aan elkaar verbonden.


Donderdag 3 september


Een kudde lammetjes

Toeristen. Tot die categorie wil ik mij eigenlijk niet scharen, maar gezien mijn blanke huidskleur, mijn blonde haren en blauwe ogen, de rugzak op mijn rug en een camera om mijn nek ontkom ik er helaas ook niet aan; ik ben een toerist, een echte toerist en dus ga ik vandaag lekker de toerist uithangen.

Gisteren hebben we nl. een echte toeristentour geboekt; in een busje zullen wij met nog zo’n 10 andere ‘lammetjes’ en een gids alle belangrijke bezienswaardigheden rondom Cuzco gaan afwerken, wat uiteraard inhoudt dat we in een moordend tempo gaan sightseeën. Busje-in-busje-uit. Dus; verstand op nul, blik op oneindig en laat je rijden!

Een tour door de Sacred Valley of the Incas oftewel de Heilige Vallei van de Inca’s. De vallei wordt gevoed door vele rivieren, die slingeren door aangrenzende valleien en kloven, en bevat talloze archeologische overblijfselen en dorpen. De vallei werd enorm gewaardeerd door de Inca's vanwege haar specifieke geografische en klimatologische voordelen. Het vormde een van de belangrijkste centra voor de landbouw en is nog altijd de beste plaats in Peru voor het verbouwen van maïs.

Door een schitterend landschap rijden we als eerste richting Pisac, een dorpje dat aan de Urubambarivier ligt. We bezoeken de ruïnes van Pisac. Het ruïnecomplex is mooi en we zien resten van o.a. gebouwen, huizen en paleizen. De heuvels rondom de ruïnes zijn bedekt met landbouwterrassen, die werden aangelegd door de Inca's en tot op heden in gebruik zijn.

Daarna bezoeken we de – toch best beroemde – markt van Pisac. Helaas krijgen we wel 30 hele minuten om ‘lekker relaxed’ over de markt te zwalken, tijd genoeg dus. Mwah. Als een gek lopen we over de markt om toch maar zoveel mogelijk te zien, maar als je dan Lonneke heet en op één, twee, drie... 47 kramen met mutsen strandt... Tja, daar gaan je kostbare minuten.

30 minuten later en zonder mutsen staan we weer – als enigen van onze groep – bij ons busje. Grrr. Waarom zorgen wij altijd dat wij stipt op tijd zijn terwijl wij ook nog veel langer rond hadden willen snuffelen en waarom doet een ander dat nooit?

We maken ondertussen – met een gezicht op onweer – gebruik van de mogelijkheid om een empanada te eten. Een heerlijk traditioneel gevulde empanada die – naar wat later blijkt – als de beste van onze hele vakantie de boeken in gaat! Hulde aan de mensen die niet op tijd kunnen zijn.

Als de empanada’s op zijn, is er echter nog steeds niemand te bekennen. Maar nog net voordat de stoom uit mijn neusgaten komt is dan eindelijk onze groep compleet en rijden we verder richting Urubamba voor de lunch. Al lichtelijk genoeg hebbend van onze groep – die bestaat uit een erg praatgrage Duitse, een Australische vrouw die alle armbandjes en poppetjes van ieder kindje op de route koopt, drie hijgende Amerikanen, twee Engelse ‘poppetjes’ uit het leger, twee Australische vrouwelijke fossielen, en jawel, een echte Peruaan – zijn we blij dat we deze tour zonder lunch hebben geboekt. Op de praatgrage Duitse na, heeft verder iedereen een veel te dure buffetlunch bijgeboekt. Wij zoeken ons heil ergens anders, nadat we heel sneeky zijn weggeslopen om de praatgrage Duitse te ontlopen. Even later belanden we dan ook in een simpele eetkroeg waar het een drukte van belang is en waar welgeteld 23 paar Peruaanse ogen op ons gericht zijn. Ik krijg zo het gevoel dat hier niet zo heel veel buitenlanders komen...

Na onze heerlijke en erg goedkope lunch voegen we ons weer bij de rest en rijden we naar Ollantaytambo, een dorpje omringt door bergen en – hoe kan het ook anders – Incaruïnes. De Incaruïnes zijn mooi en na een korte wandeling door de ruïnes vertrekken we richting Chinchero, een klein dorpje met een mooie kerk. We krijgen een demonstratie over de bewerking van wol en op het kleine marktje bij het kerkje koop ik dan alsnog mijn eerste Peruaanse wollen muts, al zullen er nog velen volgen...

Dan is het tijd om weer richting Cuzco te rijden en alle lammetjes worden aan het eind van de dag weer keurig bij het hotel afgeleverd.


Vrijdag 4 september


Taxi-belevenissen

Vandaag besluiten deze lammetjes geen lammetjes meer te zijn – één dag was meer dan genoeg – en dus houden we een taxi aan om ons naar Moray en Salineras te brengen. We spreken een leuke prijs af voor ongeveer 5 uur en als we nog geen 2 minuten op pad zijn begint onze chauffeur te jammeren dat hij meer geld wil, want het afgesproken bedrag vindt ie nu ineens wel erg weinig. Wij zijn het hier uiteraard niet mee eens, we zijn immers ingestapt voor het afgesproken bedrag, waar de chauffeur ook mee akkoord is gegaan. Afspraak = afspraak komt echter niet voor bij hem en hij blijft doorzeuren. Ondertussen begin ik vlekken te krijgen in mijn nek, begint het bloed door mijn aderen te razen en komt er een waas voor mijn ogen. Ik kijk naar Martijn – die overigens de rust zelve is, soms heel irritant – zeg tegen hem dat ik het welletjes vind en maak de chauffeur rustig (jaja, beheersing...) duidelijk dat ie moet stoppen. Hier hebben we geen zin in, we nemen wel een andere taxichauffeur die iets beter begrijpt dat afspraak afspraak is.

Blijkbaar heeft meneer de chauffeur nu wel het solletje zien vallen en hij stemt alsnog in met de prijs. Ik ben het er niet helemaal mee eens (principe, hè), maar uiteindelijk blijven we zitten en rijden we alsnog Cuzco uit.

We rijden door een schitterende omgeving richting het dorpje Maras. Maras is het vertrekpunt naar twee ontzettend mooie bezienswaardigheden; Salineras en Moray. Als eerste rijden we via een slechte ‘dirt road’ naar Salineras, een overweldigend spektakel van zoutpannen met 4000 zoutbekkens. De verschillende kleuren van het zout en de gekleurde bergen eromheen vormen samen een prachtig geheel. Het zoute water komt uit de grond en vormt plassen die opdrogen in de zon waardoor het zout afgezet wordt aan de oppervlakte. Het zout wordt door de lokale bevolking met eeuwenoude technieken verzameld en verkocht op de vele markten in de regio.

Vervolgens hobbelen we over de slechte weg terug naar Moray. In Moray bevinden zich de ingenieuze terrassen die uit het Incatijdperk stammen. Deze terrassen zijn geheel anders dan de landbouwterrassen die we al eerder gezien hebben; ze zijn cirkelvormig en prachtig om te zien. In Moray bevinden zich gigantische natuurlijke kuilen in het terrein, die de Inca's in hun gehele omtrek gebruikten om verschillende lagen van terrassen aan te leggen. Het niveauverschil is ongeveer 30 meter en wat vooral opvalt is het grote gemiddelde temperatuursverschil tussen de bovenste en onderste terrassen, wat over een jaar gemeten wel 15 graden Celcius kan beslaan. Vanwege de klimatologische omstandigheden was Moray een belangrijk centrum van domestificatie van wilde gewassen die hier werden aangepast voor menselijke consumptie.

Na het zien van zoveel moois – en gelukkig op ons eigen tempo vandaag – stappen we voldaan de taxi weer in om naar Cuzco te gaan. We passeren mensen met ezeltjes, kuddes lama’s, hoge bergen en authentieke dorpjes totdat we ineens de weg verlaten en over een zeer slechte weg een andere route nemen dan op de heenweg. Een beetje achterdochtig kijken we elkaar aan maar de chauffeur maakt duidelijk dat dit sneller is. Vanaf dat moment zitten we enigszins argwanend in de auto en als we dan vervolgens op een wel heel slechte onverharde weg vol kuilen, gaten en stenen stuiteren vraag ik me serieus af waarom de chauffeur in hemelsnaam lekke banden en schade aan de auto preferreert boven een gladde asfaltweg...

Met mijn camera in de lucht, mijn benen in de lucht en mijn maag ergens ertussenin kruipen we hotsend en knotsend vooruit. Na lang nadenken komt Martijn met de verlossende verklaring; deze onverharde weg is veel meer dalend, dus het scheelt veel in benzineverbruik. Onze chauffeur heeft natuurlijk zijn extra geld alsnog willen hebben en dan maar op deze manier... Dat is vast onze straf. Tja, als we dat geweten hadden hadden we maar wat graag die 5 dollar meer betaald.

Desalniettemin maakt de omgeving veel goed; we zijn echt ‘off-the-beaten-path’ aan het rijden en zien plaatsen waar menig andere toerist nooit zal komen. Kleine, kneuterige dorpjes, verbaasde kindergezichtjes, meertjes en diepe ravijnen. Ja, we moeten toegeven; de route is mooi.

Uiteindelijk komen we via deze ‘snellere’ route in de namiddag in Cuzco aan, lichtelijk bont en blauw van het geknots, maar in ieder geval zijn we wel aangekomen, iets waar we toch eventjes onze twijfels over hadden.

De rest van de middag besteden we aan shoppen in Cuzco en – hoe kan het ook anders – eindig ik met 3 mutsen en een paar handschoenen die nog gemaakt gaan worden. Geheel op kleur zoals ik het wil begint het vrouwtje al met breien, een paar dagen later is het klaar.

’s Avonds eten we weer heerlijk in een van de restaurantjes in Cuzco en het moet gezegd worden; mijn verwachtingen van het eten in Peru waren niet heel erg hoog, maar het is tot nu toe allemaal heel erg lekker gebleken!


Zaterdag 5 september


Sexy woman

Vandaag regelen we opnieuw een taxi en we laten ons voor 5 sol afzetten bij Sacsayhuamán, oftewel ‘sexy woman’, zoals de Peruanen zeggen.

In Sacsayhuamán is nog goed zichtbaar hoe de Inca’s hun steden en forten bestand maakten tegen de aardbevingen die in het gebied regelmatig voorkwamen. Zij bereikten dit door de stenen perfect te laten aansluiten, en door de zijkanten van ondergelegen stenen nooit precies in het midden van daarboven gelegen stenen te laten uitkomen. Waarschijnlijk sleepten de Inca’s elke steen tot tegen de steen waar hij tegenaan zou komen te liggen, waarna ze de vorm van de steen die er al lag minutieus uithakten in de nieuw te leggen steen. Zo kwam elke nieuwe steen perfect aan te sluiten. Sommige stenen wegen 70 ton!

Het complex is mooi en bovendien heb je een schitterend uitzicht over Cuzco met de Plaza de Armas in het centrum. Als het tijd wordt om terug te gaan en we weer een taxi willen nemen, blijken de heren taxichauffeurs ineens hele andere prijzen te hanteren. Betaalden we heen 5 sol voor een taxirit, nu moeten we voor dezelfde rit terug – en dan ook nog eens bergaf – het dubbele betalen!

Tja, dan hebben ze nog niet kennis gemaakt met Martijn en Lonneke, want wij pakken dan gewoon à la minute de benenwagen terug naar Cuzco. Twintig minuten en tig traptreden later staan we dan ook weer op de Plaza de Armas.

We bezoeken de groentemarkt, kopen wat cocabladeren, we gaan naar de Corichanco tempel en belanden in een heuse ‘optocht voor de toeristen’ met veel kleurrijke mensen, gedans en muziek. Tussen de herrie, drukte en het feestgedruis spot ik – volgens mij heb ik er oog voor – 2 schattige baby-alpaca’s grazend op het gras van de Plaza de Armas, geweldig! Het komende uur heb ik dus weer wat te doen.

Tot slot bereiden we ons voor op de grote dag van morgen...


Zondag 6 september


Vluchten kan niet meer...

Er zijn welgeteld 2 manieren om bij Machu Picchu te komen; 1) via een 4-daagse loodzware Inca Trail al ploeterend over smalle en steile bergpaadjes en over hoge passen, en 2) met een comfortabele trein en vervolgens een bus die je tot aan de ingang van Machu Picchu brengt. Het zal duidelijk zijn voor welke optie wij hebben gekozen.

Juist. Waarom makkelijk doen als het ook moeilijk kan? Voor ons dus 4 dagen zweten, zwoegen, muggen, spierpijn en afzien. Leuk. Toch?

De Inca Trail dus. Dit pad gebruikten de Inca’s om hun heilige plaatsen te bezoeken, ver van de wegen door de valleien die door de Spanjaarden bewaakt werden. De trail maakt deel uit van een netwerk van 30.000 km van paden van Argentinië tot de grens tussen Ecuador en Colombia. Slechts 40 km zullen wij daarvan lopen, in 4 dagen, over sterk stijgende en dalende paden, rond bergen, door tunnels en over 3 hoge Andespassen. De uitzichten van besneeuwde bergtoppen, landelijke gehuchten waar lama’s grazen en nevelwouden gevuld met orchideeën en kolibri’s liggen op ons te wachten. Tot slot zijn er nog de archeologische Inca-vindplaatsen langs de trail, met Machu Picchu als bekroning op 4 dagen lang zwoegen.

En vandaag is het dan zover; vluchten kan niet meer. Om 6.00 uur zitten we in een busje gevuld met de twee (!) andere lopers, een Duitse man (Harald) met zijn zoon (Moritz), onze gids Noemi en zes dragers c.q. koks. Dagelijks mogen er slechts 500 personen de Inca Trail lopen, en dat is inclusief de gids en de porters, die het meerendeel van de bagage dragen. Voor een groep van 4 lopers zijn er dus maar liefst 6 porters nodig. Zij dragen dan ook al het eten, kampeermateriaal, gasflessen, etc.

We rijden richting Ollantaytambo waar Martijn en ik – nadat we de meeste straatverkopers van ons af hebben gevochten – nog een schitterend hulpmiddel op de kop weten te tikken; een ergonomisch gevormde wandelstok voorzien van een deskundig gedesigned handvat en afgewerkt met een uitermate veerkrachtige rubber dop. Vervolgens rijden we door naar kilometerpaal 82 waar onze tocht dan eindelijk zal beginnen.

De Duitsers blijken geoefende wandelaars die een week van tevoren nog op hoogtetraining zijn gegaan naar Oostenrijk – o,oh – en die nu een wandelvakantie houden in Peru. Echter, diezelfde Duitsers krijgen het nog even Spaansbenauwd als ze erachter komen dat wij een extra drager hebben geboekt. Verschrikt vragen ze of het nog mogelijk is een extra drager bij te boeken, maar als wij ze uitleggen dat wij beiden aardig wat aan foto- en filmapparatuur bij ons hebben en dat we die het liefst in een speciale fotorugzak dragen waar verder weinig ruimte is voor nog 3 dagen kleding, slaken ze een zucht van verlichting. We kunnen beginnen.

Noemi legt uit dat dag 1 ‘easy’ is, dag 2 is de zwaarste omdat we dan een hoge pas over moeten, dag 3 is de langste en de mooiste omdat we dan door een heel afwisselende omgeving lopen en dag 4 is het kortste en worden we beloond met Machu Picchu. We zullen zien.

Bij kilometerpaal 82 worden onze paspoorten gecontroleerd, onze gegevens worden opgeschreven en we kunnen vertrekken. We maken verder kennis met de Duitse mannen die erg aardig en sympathiek blijken te zijn en we zijn dan ook blij dat ons groepje maar uit 4 personen bestaat. Druk pratend genieten we van het wandelen en de omgeving en de eerste dag blijkt gelijk al schitterend; besneeuwde pieken van 6500 meter die de hemel proberen te bereiken terwijl je in een groen dal loopt met rivieren, kolibri’s, lama’s en Incaruïnes!

Maar dan ineens valt mijn mond open. Zie ik dat nou goed of speelt de hoogte hier nu al een rol? Ik knipper nog eens, en ik zie toch echt een paar grote rode zakken aan komen rennen. Euh? Het duurt even maar dan dringt het door; de porters! Mijn hemel, ze verdwijnen compleet onder de hoeveelheid spullen die ze moeten dragen en al rennend sjezen ze ons links en rechts voorbij. Op sandalen gemaakt van drie reepjes oude autoband. R.e.s.p.e.c.t.

We lopen verder via een redelijk vlak pad langs de Urubamba rivier naar Wuayllabamba, de laatste bewoonde nederzetting langs het hele traject en gelegen op 3000 m hoogte. Hier brengen we de nacht door. Als we aankomen in Wuayllabamba weten we niet wat we zien; de tenten staan al, er is een grote eettent met tafels en stoeltjes en de dragers/koks staan klaar met thee en koekjes. Er staan zelfs teiltjes met warm water en een zeepje klaar om je op te frissen! Wat een luxe.

Ons kampeerterrein is wel wat minder luxe, zeg maar gerust primitief; de kippen, haan, zwijnen en lammetjes scharrelen rond onze tenten – af en toe zit er zelfs ook eentje binnen – de ‘w.c’ bestaat uit een soort van gat in de grond en is alleen te bereiken via een steil, glibberig en rotserig pad en er is geen water. Maar we hebben wel een schitterend uitzicht op de omringende bergen en de vallei, dat dan weer wel.

We mogen een kijkje nemen in één van de huisjes in het dorpje en al druk zwaaiend om het ontelbare aantal bloeddorstige muggen te verdrijven die rond mijn gezicht zoemen, schieten er aan alle kanten om mij heen cavia’s weg. Maar dat is normaal in Peru. Hier eten ze nl. cavia. Ieder huis op het platteland heeft dan ook een stuk of 20 cavia´s in de keuken rondlopen zodat ze op elk moment verzameld kunnen worden voor het avondeten. Lekker praktisch dus.

’s Avonds genieten we van onze eerste 3-gangen avondmaaltijd – nee, geen cavia gelukkig – en het verbaast ons met hoe weinig middelen er zo’n goede en uitgebreide maaltijd op tafel wordt getoverd!


Maandag 7 september


Dead woman

Opstartproblemen. Hier heb ik mijn hele leven al last van, maar ik kan er niets aan doen – nee, echt niet – want het is gewoon erfelijk bepaald. Een vroege vogel ben ik nooit geweest en ’s ochtends moet je vooral niet te veel zeggen tegen mij, laat staan dat ik al meteen aan de gang moet. Vandaag moet ik meteen aan de gang. En Lonneke en meteen-aan-de-gang-moeten werkt dus niet samen. En zeker niet om 5.45 uur. Al hijgend, balend en foeterend begint voor mij de dag dan ook. Want vanaf welgeteld 2 meter van ons kamp is het begonnen met stijgen, alleen maar stijgen en flink stijgen dan ook nog. En het vooruitzicht van nog minstens 4 à 5 uur stijgen maakt mijn humeur er ook niet bepaald beter op. Daarbij heb je stijgen en je hebt stijgen. De variant die wij hebben is er eentje die dan ook alleen maar steil stijgt; geen vlakke stukken er tussendoor, laat staan dat er gedaald gaat worden. *jippie*

Vandaag krijgen we nl. de hoogste pas, Warmi Wañusca oftewel Dead woman’s pass, op 4200 m hoogte voor de kiezen. Dead woman. Hmmm, die naam alleen al bevalt me niet.

Goed, ik ben dus in gevecht met mezelf, mijn beenspieren en mijn lichaamscellen die voortdurend naar zuurstof snakken en na 5 stappen bergopwaarts ben ik al meer dood dan levend. En dan moet ik nog een hele berg! 5 uur klimmen van 3000 m naar 4200 m. Mijn hoofd schiet in standje tomaat, mijn hart bonkt in mijn hoofd, ik hijg als een zwaar astmapatient en mijn tong raakt bijna de grond. Waar ben ik aan begonnen.

Maar zoals ik al zei, dat zijn mijn gebruikelijke opstartproblemen.

Na enige tijd flink zwoegen en afzien komt er zowaar een ommekeer; ik kom helemaal ‘in the mood’. Gestaag klim ik door in een regelmatig tempo, stap voor stap, meter voor meter, zo lichtvoetig als een lama. Ik zit helemaal in het ritme en het gaat me – ondanks het flinke stijgen – verrassend goed af! De vijand de hoogte waar ik in eerste instantie wel een beetje bang voor was ontpopt zich uiteindelijk in een vriend; op wat gehijg na, heb ik gelukkig erg weinig last van de hoogte. Bovendien herstelt je lichaam verrassend snel als je even stopt.

Het gaat goed. Zo goed zelfs, dat ik iedereen – behalve Martijn natuurlijk die in mijn kielzog loopt – achter me laat zodra de pas in zicht komt. Martijn lijkt het geheel onverwacht lastiger te hebben dan ik. Maar dat is volledig en alleen te wijten aan de hoeveelheid flessen water – de laatste mogelijkheid om water te kopen was voor de pas – die hij de pas op zeult. Het zijn zíjn woorden. Voor elke fles die hij draagt heeft hij dan ook een zanikmomentje en bij elk zanikmomentje gaat het klimmen mij vreemd genoeg gemakkelijker af. Martijn weet altijd het beste in mij naar boven te halen, daar zullen we het maar op houden. ;-)

Uiteindelijk sta ik dan als eerste van onze groep bovenop de pas! Ok, de Duitse vader – alias berggeit – is vandaag behoorlijk ziek en Martijn heeft mij ongetwijfeld voor laten gaan, maar toch; wat een geweldig gevoel! Het gelukzalige overwinningsgevoel verdwijnt echter vrij snel; ben je blij dat je het zwaarste stuk gehad hebt als je eenmaal op de top staat, het stuk naar beneden is ook niet bepaald een feestje. Alleen maar dalen, dalen en nog eens dalen. En we maken kennis met een andere gave van de padenbouwers; traptreden. Ongelijke traptreden, soms laag, soms scheef, maar meestal hoog en scheef. Hellup! Dacht ik voorheen dat dalen meer ‘mijn ding’ was dan stijgen, daar kom ik bij deze dan serieus op terug.

Mijn knieën. Eén van mijn vele trouwe en stille dienaren. Ze zeggen nooit wat, ze werken wel hard, maar zwijgen daarbij. Tot vandaag. Vandaag delen ze me maar al te graag mede dat ik ze te hard heb laten werken. Gelukkig hoeven we nog maar een paar duizend treden.


Dinsdag 8 september


Peruvian flat...?

Dag 3. Het is 5.30 uur en een van de dragers staat aan onze tent te sjorren met de mededeling dat het tijd is om op te staan. Hij heeft lekkere hete cocathee voor ons en langzaam worden we wakker.

Als mijn hersencellen zich weer enigszins gerangschikt hebben – het blijft vroeg, hè – krijg ik lichtelijk het besef dat na gisteren mijn kuit- en bovenbeenspieren vandaag vast dienst zullen weigeren, maar mijn spieren houden zich vooralsnog verdacht rustig. Mijn startproblemen zijn – weinig verrassend – wel weer van de partij. Maar hoe kan het ook anders als we na welgeteld 5 stappen van ons kamp verwijderd te zijn al weer meteen beginnen met een zeer steile en hoge pas te beklimmen. Het duurt even voordat dit dieseltje dan ook warm gestoomd is, maar eenmaal op gang dan ga ik weer gestaag door.

Ondertussen denk ik dat ik ook vooral niet MAG zeuren. Het is bijna beschamend om al die toeristen in hun dure outdoor kleding en stevige bergschoenen vloekend te berg op te zien kruipen, terwijl de porters – op slippers en in versleten kleding – elke dag precies hetzelfde traject af moeten leggen, maar dan wel met zo’n 40 kg aan bagage. En ploffen wij vermoeid neer aan het einde van de dag, de porters hebben dan de tenten al opgezet, moeten eten koken, daarna afwassen en ’s ochtends staan ze dan al weer klaar met het ontbijt. Dan de hele boel weer afbreken om vervolgens weer met een noodgang voorbij te rennen om – voordat wij aankomen – bij de lunchplek de eettent op te zetten en al weer een uitgebreid maal voor te schotelen. Idem dito voor het diner. En daarom alleen al mag ik dus niet zeuren.

We passeren een Incaruïne, een mooi helder bergmeertje en nog een aantal naar adem snakkende lopers en verder zien we niet veel meer dan rotsen, traptreden en stenen. Als we eenmaal boven op de pas zijn, zijn we het steile stijgen voorgoed kwijt, vanaf daar is het voornamelijk weer afdalen. Ik weet niet of ik – en vooral mijn knieën – daar zo blij mee zijn, maar ik heb weinig te kiezen. Gelukkig is het stuk wat daarna komt vlak, aldus Noemi, dus we hopen er maar het beste van.

Het uitzicht op de pas is letterlijk adembenemend; we kijken neer op een groen jungle-achtig dal met in de verte besneeuwde bergtoppen met mysterieuze wolkjes eromheen. En is het uitzicht al schitterend, de wandeling blijkt zeker zo mooi! Wauw, wat een prachtig stuk. We lopen hoog door de bergen langs diepe loodrechte afgronden door een prachtig stuk nevelwoud met half uitgehakte tunnels en perfect geplaatste stenen. Een kolibri fladdert voorbij naarstig op zoek naar de dichtstbijzijnde bloem. We zien verschillende soorten mossen in allerlei kleuren, Tolkien-achtige sprookjesbossen met baardmossen die in lange slierten naar beneden hangen, varens, en orchideeën... Dit is pas echt genieten!

Alleen vlak... nou nee. Denken wij Hollanders bij vlak natuurlijk aan zo vlak als Nederland, in Peru heet het vlak als het net wat minder steil is dan loodrecht. Ze hebben er zelfs een mooie benaming voor; Peruvian flat.

Vervolgens lunchen we op de derde pas dichtbij de ruïnes van Phuya Patamarca dat Wolkenstad betekent en ja hoor, een schitterend spierwit wolkenpakket slaat ons van bovenaf gade. Na de voortreffelijke en wederom zeer uitgebreide lunch beginnen we met de lange afdaling van ik-weet-niet-hoeveel Incatreden naar Wiñay Wayna (2700 m), onze laatste kampeerplaats.

Afdalen, afdalen, afdalen en dan niet eens een Peruvian flatte afdaling. Steil, erg steil en nog steiler, mijn knieën, mijn arme knieën, mijn pijnlijke arme knieën. Ik begin me af te vragen hoe die ongetwijfeld kleine Incamensjes op die hoge traptreden hebben gelopen en waarom ze de treden überhaupt zo hoog hebben gemaakt...? De lama-lichtvoetigheid die ik had veranderd langzaam in de tred van een kreupele ezel. Daarbij maakt een ongekend aardappelzakgevoel zich van mij meester. “Hóóla, ik ben een zak aardappelen en mijn knieën moeten mij dragen.” Zwaar... Hoe lang nog?

Na duizenden treden – dit is pas écht afzien – komen we dan eindelijk aan het eind van de middag bij de campsite aan. Blij dat we er zijn – deze dag is voor ons zeker de zwaarste – maar dodelijk vermoeid en smerig van 3 dagen zonnebrand en muggenspul smeren, zweten en stof... Pffff. Maar gelukkig hebben ze het op deze campsite beter begrepen; na 3 dagen zwoegen wordt je hier beloond met een heuse douche!

De douche zal ik dan ook niet ‘licht’ vergeten. Ik stap binnen in de doucheruimte, maar er is geen licht. Aangezien er op dat moment al meerdere vrouwen aan het douchen zijn, ga ik er (dom, dom) vanuit dat er dan wel geen licht zal zijn. Immers, die andere vrouwen staan toch ook niet voor niets in het donker te douchen? Op de tast stap ik het douchehokje binnen en hang alles netjes aan een haakje. Ik ga in het donker op zoek naar mijn douchespul dat ook ergens in een tasje aan het haakje hangt, maar dan besluit mijn – nog schone – handdoek de vloer eens van dichtbij te willen bekijken, concluderend dat deze onder de drek en viezigheid zit. Daarop besluit mijn onderbroek – ook nog schoon – dat even te willen checken en alsof dat nog niet genoeg is besluit het hele haakje met al mijn schone kleding ook tot de reservecontroleploeg te behoren. Crisis! @*#^%$

Ik stap half uit het douchehokje en ga vervolgens bijna gigantisch op mijn plaat van de glibberige zooi die op de grond ligt en als kers op de slagroom stoot ik bij het bukken om mijn kleren op te rapen wel zo hard mijn hoofd dat de sterren die boven mijn hoofd zweven bijna genoeg licht geven om mijn douchebeurt in het licht af te maken. Grrr.

Douchen in het donker, heel fijn en erg aan te bevelen. Ik heb het dan ook helemaal gehad en werk snel mijn doucherondje af. Lekker afdrogen met een handdoek vol drek, vieze kleren aan – ik ben het toch inmiddels wel gewend – en met een rood hoofd van opwinding loop ik naar de uitgang. Komt er ineens een vrouwtje binnen, drukt op een knopje, en warempel; er gaat zomaar ineens een lichtje aan...


Woensdag 9 september


De bekroning

De Verloren Stad ligt aan onze voeten. In stilte kijken we neer op de ruïnes van Machu Picchu en onze gedachten gaan terug naar de kilometers paden en Incatreden die ons door het Andesgebergte, over hoge passen, door dichtbegroeide jungle en over kale vlaktes hierheen hebben geleid. Een lama nadert ons. Het verbluffende uitzicht laat hem ongeroerd, hij is slechts op zoek naar een stukje sappig gras.

We beseffen dat dit, de Inca Trail met Machu Picchu, het hoogtepunt is van onze reis door Peru. Liggend op een groen Incaterras genieten we van de bergen met besneeuwde toppen, de stilte en de prachtige ruïnes onder ons. We sluiten onze ogen en gaan terug naar waar het allemaal begon...

Dag 4. Na een korte nacht staan we op het onmenselijke tijdstip van 4.00 uur op om vóór 5.00 uur bij de gate te staan. Het is stikdonker en gewapend met onze headlights sluiten we aan in de rij voor de gate. Rond half 6 kunnen we er dan – nadat onze paspoorten gechecked zijn – eindelijk door.

Deze laatste etappe van de Inca Trail wordt bijna geheel in duisternis gelopen, om vóór zonsopkomst bij Inti Punku – de zonnepoort met een fenomenaal uitzicht op Machu Picchu – te zijn. Het begin van een belachelijke race om als eerste bij Machu Picchu aan te komen. Links en rechts worden we ingehaald door mafkezen die rennend in het donker over het smalle pad langs diepe afgronden, iedereen proberen in te halen, wat een idioten. Maar ook wij willen natuurlijk wel op tijd bij de zonnepoort zijn en dus houden wij ook een stevig tempo aan. Jammer eigenlijk, want de omgeving is hier wederom schitterend met de smalle paadjes, jungle-achtige begroeiing en diepe afgronden. Voor zover we die zien dan, in het donker.

Als we vlak bij de zonnepoort zijn hebben we nog een erg steile Incatrap te beklimmen en op dat moment maakt iedereen zich klaar voor de laatste sprint; de een na de ander stuift voorbij, het is bijna duw- en trekwerk. Je zou haast denken dat er bovenaan de trap een pot staat met een onnoemelijke som aan geld.

Aangezien wij ons zelf wel vertrouwen maar een ander niet, voelen wij er weinig voor om straks door zo’n gek mee de diepte ingesleurd te worden. Dus wij haken op dit punt af, we hebben geen zin om onze nekken te breken door een paar van die onverlaten en dus wachten we tot de grootste groep lomperiken weg zijn, alvorens wij beginnen aan de steile trap.

Als wij dan uiteindelijk – op een redelijk normaal tempo – ook aankomen bij de Zonnepoort zijn we gewoon nog te vroeg! Machu Picchu ligt op dat moment nog volledig in de wolken en we zien dus eigenlijk nog niets. Enkele minuten later is het dan wel zover; terwijl het licht wordt en de mist optrekt, ontvouwt Machu Picchu zich langzaam tussen de puntige groene bergen. Werkelijk betovererend en iedereen is er stil van. Tussen indrukwekkende bergtoppen, groene hellingen en nevelachtige wolken ligt dan hier de grootste en mooiste verborgen schat van Peru. De Verloren Stad van de Inca’s; Machu Picchu.

Omdat we ook vóór de grote toeristenmassa bij Machu Picchu zelf willen zijn lopen we door. Na toch nog best een eindje stappen staan we met open mond bij één van de meest adembenemende archeologische vondsten van Peru.

De stad Machu Picchu is fenomenaal gelegen tussen steile bergen, op een hoogte van ongeveer 2438 meter, en is door de afgelegen ligging nooit ontdekt door de Spanjaarden. Tot op de dag van vandaag is het onduidelijk wat voor functie Machu Picchu precies heeft gehad in het Incarijk. De huidige functie is echter – helaas – overduidelijk. Vanaf tien uur arriveren busladingen vol toeristen – met name hijgende Amerikaanse fossielen – die onder het roepen van: “Wow, amazing!” de mystiek rond Machu Picchu snel laten verdwijnen. Ik ben er dan ook van overtuigd dat deze afgelopen 4 dagen afzien en zwoegen Machu Picchu nóg specialer maakt en ben blij dat we niet met de trein – volgepropt met dagjesmensen én luid roepende Amerikanen – zijn gegaan.

We krijgen een rondleiding van Noemi maar na een tijdje merken we dat de vermoeidheid van de afgelopen 4 dagen toch wel toe begint te slaan. Vooral als Noemi een nogal langdradig verhaal vertelt bij één van de bouwwerken, heb ik moeite mijn ogen open te houden. Mijn benen voelen zwaar en als ik een blik werp op de overige drie personen van ons groepje dan zie ik Martijn herhaaldelijk gapen, ik zie Moritz met kleine rode oogjes en Harald hangt ook maar een beetje onderuit tegen een muurtje. Het verhaal van Noemi gaat het ene oor in en het andere oor uit. Het boeit me ook gewoon even niet. Nee, dit is niet goed.

What we need is some action! Leven in de brouwerij! We moeten actief blijven en bovendien duren Noemi’s praatjes ons sowieso véél te lang. Wij willen zelf door Machu Picchu lopen, foto’s maken en het liefst nog zonder al te veel mensen. Lullig of niet, we bedanken Noemi dan ook vriendelijk voor de rondleiding en zeggen dat we liever een beetje actief blijven en zelf willen rondlopen.

En zo geschiedt. We lopen op eigen houtje door indrukwekkend Machu Picchu en weer verbazen we ons over de muren van de gebouwen die zijn opgebouwd uit perfect op elkaar aansluitende stenen. We zien groene terrassen, grazende lama’s, mysterieuze flarden mist die Machu Picchu verzwelgen, we fotograferen er op los en de vermoeidheid is als sneeuw voor de zon verdwenen. Zolang we maar actief bezig blijven; niets aan de hand. We overwegen zelfs nog even om de berg Huayna Picchu te beklimmen, maar aangezien we al 4 dagen klimmen in de benen hebben en we de foto’s die we gezien hebben van Machu Picchu die vanaf die kant genomen zijn niet echt spectaculair vonden slaan we dat toch maar over.

Als Machu Picchu dan uiteindelijk gevuld wordt met massa’s toeristen en wij elke steen van Machu Picchu hebben bekeken zoeken we ergens een mooi plekje op een groen Incaterras met een waanzinnig uitzicht op Machu Picchu. Liggend in het zonnetje komen we een beetje bij van de afgelopen dagen.

Aan het einde van de middag nemen we de bus naar Aguas Calientes, een leuk dorpje met veel restaurantjes, muzikanten en hotels. De trein stopt hier letterlijk midden in het dorp, tussen de restaurantjes en winkeltjes. Moe maar voldaan genieten we van een lekkere pizza met een Inca Cola – het best te omschrijven als vloeibare bubbelgum-kauwgom – waarna we de trein van 17.00 uur pakken naar Cuzco.

’s Avonds rond 21.00 uur zijn we weer in ons hostel waar we eigenlijk meteen – na een heerlijke douche – het bed induiken om een beetje slaap in te halen.


Donderdag 10 september


Dead or alive?

Met 2 huayna’s – alias bergen – onder mijn ogen sta ik verrassend uitgeslapen en fit op. Vandaag doen we lekker rustig aan en vullen onze dag met – hard nodig – wassen, terrasjes, beetje wandelen en de bus naar Puno regelen. Want het wordt tijd om toeristenstad Cuzco, een plek waar wij ons overigens goed konden vermaken, dan toch maar eens achter ons te laten. Het heet niet voor niets reizen, hè.

We vragen aan Inès, de eigenaresse van ons hostel, met welke busmaatschappij we het beste naar Puno kunnen reizen. Haar reactie – “Do you want to arrive alive in Puno or not?” – bezorgt me de kriebels. “I assume you want to arrive alive so you have to take the First Class bus. It’s expensive, but it’s including a guide, several stops and sightseeings. Other companies are not safe, extremely dangerous, they have bad drivers, there is no toilet and the buses are in a very bad condition.”

Ok…

Nou weet ik wel dat niet alle busmaatschappijen in Peru even goed bekend staan, maar als je dit te horen krijgt van een echte Peruaanse die ook nog eens volkomen onafhankelijk oordeelt en er dus geen belang bij heeft, dan laat je je hersenen toch wel even werken.

De dure First Class bus is een toeristenbus die onderweg een aantal bezienswaardigheden aandoet. Voor 30 dollar per persoon incl. lunch, maar excl. de entreegelden van de bezienswaardigheden. Te duur voor ons budget en bovendien hebben we er gewoon eigenlijk ook geen zin in. Maar ja... Inès, hè.

Je zou denken dat we hebben geleerd van onze georganiseerde excursie naar de Sacred Valley. Nou niet dus. Want door het afschrikwekkende relaas van Inès hebben we toch wel een beetje schrik gekregen en boeken we dus uiteindelijk maar – tegen beter weten in – de dure 10 uur durende busrit met sightseeings.


Vrijdag 11 september


Met dank aan Inès...

Het is half 8 als onze sightseeing tour naar Puno vertrekt; een bus vol toeristen en wij zijn dus ook van de partij.

De eerste stop is bij een kerk in Andahuaylillas. De kerk is hét bewijs dat overdaad niet altijd schaadt; er is geen vierkante centimeter te vinden waar niet een bladgouden ornament, schilderij of wandschildering tegenaan gesmeerd is. En het moet gezegd; deze kerk is van binnen erg mooi.

Hierna bezoeken we het Incacomplex in Raqchi. Het ziet er – na Machu Picchu gezien te hebben – niet erg indrukwekkend uit. Bovendien moet je het grootste gedeelte van de tempel erbij fantaseren. Wij knijpen er dan ook stiekem tussenuit en gaan naar een marktje dat in de buurt van het complex gehouden wordt. Kleurrijke kleding, bolhoedjes, vrouwtjes met bij elkaar gebonden lange vlechten, breiende vrouwtjes en spelende kinderen met appelrode wangetjes, dit is meer ons kopje thee.

We stoppen vervolgens nog bij – hoe kan het ook anders – wat souvenirkraampjes waar tevens alpaca’s, lama’s en cavia’s rondlopen. En iedereen krijgt van onze gids een handjevol groenvoer om te voeren. Natuurlijk heb ik mijn oog al lang weer op iets anders laten vallen; 1 minuut later sta ik met een flesje melk in mijn hand met een gretig zuigende baby-alpaca eraan...

Daarna een buffetlunch in een tuin waar de plaatselijke Jan Smit & Vrienden – maar dan met poncho, zwart haar en voorzien van panfluit – ons verblijden met wat typische Peruaanse muziek. De muziek is goed, de lunch is slecht. Het eten is koud, de schalen zijn zo goed als leeg en er wordt amper bijgevuld. Heerlijk, zo’n georganiseerde tour.

Maar het kan allemaal nog erger, dat blijkt als we weer aan het rijden zijn. We stijgen flink en we verruilen de groene heuvels voor besneeuwde bergtoppen, kale vlaktes van de Altiplano en grazende vicuña´s en lama´s. We reizen door landschappen die in Lord of the Rings niet zouden misstaan, alleen stopt onze bus daar niet. Nee, geen stop bij de prachtige weidse vlakten met grazende vicuña’s en spectaculaire bergen op de achtergrond. En nee, er wordt ook niet gestopt bij een mooi uitkijkpunt met zicht op de besneeuwde bergtoppen. We stoppen uiteraard wel op een plek waar het niet bijzonder mooi is, maar waar de omgeving wel wordt gedomineerd door talloze souvenirverkopers...

De laatste bezienswaardigheid is een of ander klein en oninteressant museumpje in Pukara, we vinden er maar weinig aan en we willen eigenlijk gewoon het liefst zo snel mogelijk in Puno zijn.

Zeker omdat we er nog een klein probleempje bij krijgen; of het aan de slechte lunch ligt van vanmiddag of dat het nog een overblijfsel is van de Inca Trail, de darmen van Martijn beginnen ineens krampachtig dwars te liggen. En de benauwde warme bus en de slechte bochtige wegen dragen niet bepaald bij aan een spoedig herstel. Bijna gearriveerd in Puno lapt Martijn dan ook de regel ‘w.c. alleen voor urineren’ aan zijn laars. Toch nog één voordeel dat we met de dure First Class bus zijn gegaan; hier is in ieder geval wel een w.c.

Met dank aan Inès.


Zaterdag 12 september


Sightseeing Puno

Vooruitdenken. Dat hoort er nou eenmaal bij als je op vakantie bent. Zo gebruiken wij deze ochtend dan ook om 2 tourtjes te boeken, een tour van een halve dag naar Sillustani en een tour van een hele dag naar de Uros-eilanden en Taquile. We regelen ook alvast de bus van Puno naar La Paz in Bolivia, met een tussenstop van 2 dagen in Copacabana. Als we al het regelwerk gedaan hebben dan is het tijd om Puno te gaan verkennen.

Puno ligt aan het Titicacameer, het op één na grootste meer van Zuid-Amerika, met een oppervlakte van 8340 km². Het ligt als een blauwe spiegel in de Andes tussen Peru en Bolivia op 3812 meter boven de zeespiegel, en is het hoogste commercieel bevaarbare meer ter wereld.

’s Middags om 14.00 uur worden we opgehaald voor de Sillustani tour. Weliswaar dus weer georganiseerd, maar in dit geval is het maar een paar uurtjes, zit er geen lunch bij en last but not least; een georganiseerde tour boeken was in dit geval vele malen goedkoper dan een taxi regelen. Op naar Sillustani dus.

Het archeologische terrein Sillustani ligt 40 km buiten Puno en hier vinden we de chullpa’s, de zgn. 'gemetselde graftorens'. Hierin werden de edelen van de Colla bevolking – voorgangers van de Inca’s – in hurkhouding begraven. De grootste graftoren is 12 meter hoog en meet 5 meter in doorsnee. Wanneer een edelman overleed werd de hele familie gedood en met de edelman begraven... Rare lui die Colla’s.

Na hier enige tijd rond te hebben gelopen rijden we weer terug naar Puno en schuiven aan in een gezellig restaurantje waar ik een overheerlijke forel – vers gevangen uit het Titicacameer – verorber.


Zondag 13 september


Drijvende eilanden en breiende mannen

We zijn op weg naar de Uros-eilanden, een half uurtje varen vanaf Puno. De Uros-eilanden zijn helemaal gemaakt van riet dat langs de oevers van het Titicacameer groeit. De Uros-Indianen bouwden deze eilanden oorspronkelijk om de Inca's te ontvluchten. De Inca's domineerden op dat moment namelijk het vasteland. Circa 40 eilanden worden bewoond en de bewoners maken van alles van riet; huizen, huisraad, boten, etc. Zodra het riet aan de onderkant gaat rotten en vergaat, wordt een nieuwe laag toegevoegd.

Tegenwoordig leven de Uros-Indianen van de toeristen, die vanuit Puno de eilanden bezoeken. En dat is te merken. Als we aankomen met de boot staan alle vrouwen, mannen en kinderen in hun mooie prachtige kleurrijke kleding ons enthousiast toe te juichen en te zwaaien. Net iets TE enthousiast zeg maar.

Het voelt apart, lopen op de drijvende eilanden. Alsof je met drie liter whisky achter de kiezen op een waterbed loopt waarvan je niet helemaal zeker weet of die het gaat houden; verend, zacht en deinend. We zwalken over het eiland en we krijgen een demonstratie over hoe het eiland van riet gemaakt wordt.

Als we weer met de boot vertrekken wordt er – dit kan niet waar zijn – ‘Vamos a la playa’ gezongen, gevolgd door een galmend ‘Vamos a la playa’ vanaf een ander eilandje aan de linkerkant (daar vertrekt ook een bootje) en overstemd door een ‘Vamos a la playa’ aan de rechterkant waar weer een ander bootje vertrekt. Arghhh... De geloofwaardigheid gaat zo wel een beetje verloren, ja.

Na ruim 2 uur varen komen we bij het eiland Taquile. Dit eiland bestaat uit allerlei terrassen, er zijn geen wegen, geen auto’s en het enige geluid dat je hoort is het gebalk van ezeltjes en het gefluit van vogeltjes... zo vredig!

Maar waar Taquile vooral om bekend staat; breiende mannen! Word je in Nederland als breiende man aangekeken of je wel alles op een rijtje hebt daarboven, op Taquile is het de normaalste zaak van de wereld. Breien is hier hot. Daarbij heeft dit eiland ook zijn eigen gebruiken. De muts van de man geeft nl. aan of hij getrouwd is of niet. Een muts met een witte punt betekent single, een rode/blauwe muts betekent getrouwd. De vrouwen hebben een rok die aangeeft of ze single is of niet. Zwart of donkerblauw betekent getrouwd, gekleurde rok betekent single. Daarnaast hebben de omslagdoeken pomponnetjes, grote pomponnen betekent single, kleine betekent getrouwd.

We maken een mooie wandeling over het eiland en we genieten van de prachtige uitzichten. Op de Plaza de Armas zien we veel breiende mannen – toch bijzonder – en we eten quinoa soep en een heerlijk verse forel tijdens de lunch. Daarna lopen we over de andere kant van het eiland en via een steile trap van 500 treden keren we weer terug naar de boot die ons in ruim 2 uur weer terug naar Puno brengt.

Toch wel een beetje onder de indruk van al die breiende mannen probeer ik Martijn nog een leuke hobby aan te smeren, maar die houdt het voorlopig toch maar bij punniken. Eén hobby is wel genoeg ;-).