Home  
|
  Welkom  
|
  Route  |  Reisverslag  |  Foto's  
|
  Film  
|
  Info  
|
  Contact
 

Donderdag 1 januari


De westoever; Stad van de Doden

Vorige dag Volgende dag

Voordat we vandaag van start gaan even een stukje geschiedenis. Wat nu het huidige Luxor is, heette in de tijden van de farao’s Thebe en was o.a. de hoofdstad en het culturele centrum van Egypte ten tijden van de 18e, 19e en 20e dynastie. Het beslaat de periode waarin misschien voor velen de bekendste farao’s leefden, zoals Amenophis III, Thoetmosis III, Hapsjepsoet, Toetanchamon, Seti I en Ramses II. Luxor omvat vele monumenten en het is daarom ook onmogelijk om alles op één dag te bezichtigen. Daarom verdelen we de bezienswaardigheden maar op de meest handige manier; vandaag gaan we naar de westoever van de Nijl, morgen blijven we op de oostoever.

Om op de westoever te komen moeten we als vanzelfsprekend de Nijl over en dus wandelen we op de boulevard op weg naar de veerboot. We hebben nog maar enkele schreden op de Corniche an-Nil gezet of we worden al weer aangesproken door een Egyptenaar die blijkbaar aan ons af kan lezen dat we vandaag naar de westoever willen. Hij heeft een taxi en kan ons de hele dag rondrijden tussen alle bezienswaardigheden. Omdat we niet met de eerste de beste in zee willen gaan, we weten immers ook nog niet precies hoe we het vervoer op de westoever willen regelen, houden we de man af. Maar het moet haast wel op onze voorhoofden geschreven staan dat we naar de westoever willen, want de opdringerige man blijft maar tegen onze wil meelopen en zeuren, terwijl we duidelijk genoeg hebben aangegeven niets te willen. Dan, na een paar honderd meter vergezelt te zijn van een hoogstirritante en praatgrage achtervolger, houdt hij het eindelijk voor gezien. Blij dat we van hem af zijn, wordt zijn taak overgenomen door de volgende. “Can I help you?” Met de nodige achterdocht kijken we de man aan. Het is soms uitermate vermoeiend om voortdurend door mensen aangeschoten te worden, die je wat willen verkopen of die voor elke dienst – bijv. voor het wijzen waar de w.c. is – een ‘baksheesh’ verwachten. “What are you looking for?” Omdat we dit keer op een andere manier benaderd worden dan normaal geven we hem het voordeel van de twijfel en zeggen dat we de veerboot zoeken. Fout. Weliswaar wijst hij ons de weg naar de pont, maar als we enige minuten aan het lopen zijn blijkt dat we niet alleen zijn. Meneer loopt zo’n 30 meter achter ons, met meneer nummer 1 in zijn kielzog.

Als we eenmaal op de boot zijn, we de twee mannen ook de boot op zien komen en ze bovendien ook nog plaats nemen op de banken naast ons, vraag ik me af in wat voor geheimzinnig complot we nu weer beland zijn. De theorie; meneer 1 heeft de opdringerige aanpak gehanteerd. Toen dit niet voldoende indruk op ons maakte, heeft hij meneer 2 ingeschakeld. Meneer 2 hanteert een andere aanpak; doen alsof hij ons alleen maar wil helpen en hij slaagt erin zijn verkooppraatjes binnen te houden. Tot nu toe dan. Want eenmaal op de boot schakelt meneer 2 net zo gemakkelijk over op de opdringerige aanpak van meneer 1 en zo zitten we even later ons gruwelijk te ergeren aan het gezeur en gezanik van de twee mannen die zich als parasieten aan ons vastzuigen.

Inmiddels toch wel benieuwd geworden naar wat ze dan eigenlijk wel te bieden hebben, ze willen nl. wel heel graag, vragen we dan uiteindelijk toch naar de prijs. Voor slechts 240 pond (ruim 40 euro!) willen ze ons wel 5 uurtjes rondrijden tussen de bezienswaardigheden, die te voet weliswaar te ver uit elkaar liggen, maar die per auto in maximaal een paar minuten te berijden zijn. Ha ha, wat een lachertje. We slaan het buitengewoon hoge aanbod uiteraard af en gaan verder met ons eigen gesprek. Althans dat proberen we, maar beide heren presteren het om zich zo luid en duidelijk in ons gesprek te mengen – de 240 is al gezakt naar 100 pond – dat ik deze parasitaire onderhandeling aardig zat begin te worden.

Inmiddels staat mijn gezicht dus ook op onweer hetgeen ook meneer 2 niet onopgemerkt blijft. En als hij dan vervolgens vraagt waarom ik niet lach op zo’n prachtige dag als vandaag, is het voor mij gedaan. Als ze zo gaan beginnen… Ik heb het helemaal met ze gehad en we zoeken zelf wel een taxi, desnoods een duurdere. Het maakt ons helemaal niets meer uit, het is nu een principekwestie geworden, en daar hebben ze zelf voor gezorgd.

We zeggen dat we geen gebruik van hun aanbod willen maken en dat we met rust gelaten willen worden. Pas als we dit 3 keer herhaald hebben en uiteindelijk zelfs boos worden (ja, ons geduld raakt ook wel eens op) lijkt het kwartje te zijn gevallen. We keuren ze geen blik meer waardig en eenmaal op de westoever worden we bedolven onder het eeuwige gemompel van ‘baksheesh’ en wriemelen we ons door een meute van handophouders, sjacheraars en taxichauffeurs in alle leeftijdscategorieën. Mijn oog valt op een man die ietsje verderop het schouwspel van trekken, vastklampen en zeuren rustig bekijkt. We lopen op hem af en vragen wat hij voor 5 uur taxiën vraagt. Uiteindelijk betalen we 120 (!) pond en laten we de twee parasieten beduusd en waarschijnlijk met een flinke kater achter. Eigen schuld, dikke bult.

Goed. Met nog een redelijk druk programma voor de boeg laten we ons eerst naar Medinet Haboe rijden. De grote toeristentrekkers bewaren we voor het einde van de dag, als de grote troepen toeristen hier al lang weer verdwenen zijn. Geheel ten onterechte wordt het schitterende tempelcomplex Medinet Haboe meestal overgeslagen tijdens een bezoek aan de westoever. We zijn dan ook – op een grote klas kinderen na – de enige bezoekers en dat is na alle drukte bij de tempels elders een verademing. Helaas wordt de rust enigszins verstoord; een van de kinderen uit de klas maakt mij tot onderwerp van fotografie en in een mum van tijd staan er tientallen camera’s op m’n neus gericht. Wat zal ik straks een mooi plaatsje krijgen in de fotoalbums, vereeuwigd tussen de zuilen, tempels en Ramsessen. Jottum! Als de klas weer verder trekt kunnen we echter ongestoord rondneuzen. Het valt op dat de reliëfs erg scherp en gedetailleerd zijn en de kleurrijke schilderingen zijn nog erg goed intact. De eerste pyloon van de tempel is dan ook zeer goed bewaard gebleven en geeft ons een mooi beeld van de veldslag die Ramses III heeft gewonnen tegen de zeevolken.

Hierna gaan we op aanraden van onze chauffeur naar Deir-al-Medina. Hier woonden de ambachtslieden, dienaren en arbeiders die aan de koninklijke graven werkten. Archeologen hebben meer dan 70 woningen ontdekt en veel graftombes, waarvan de mooiste nu opengesteld zijn voor publiek. Zo ook dus de Tombe van Anherkha. Aangezien je geen foto- en filmapparatuur in de graven mee mag nemen en ik zie dat de bewaking nogal slordig met de ingeleverde camera’s omgaat, besluiten we om de beurt af te dalen in de nauwe gang op weg naar de grafzaal. Na enkele meters gedaald te zijn komt een vochtige, benauwde en enigszins naar zweet riekende lucht me tegemoet. Nog even doorzetten. Het graf bestaat uit 1 kamer en is mooi en kleurrijk beschilderd, verbazingwekkend eigenlijk dat het nog zo goed intact is met deze vochtige en vieze lucht, maar desondanks ga ik graag weer omhoog voor een vleugje frisse lucht.

Naast de Tombe van Anherkha ligt de Tombe van Sennedjem die uit twee kleine kamers bestaat. De tombe is mooi, maar klein en er mogen dan ook, net als bij de Tombe van Anherkha, niet meer dan 10 personen tegelijk afdalen. Eenmaal weer buiten geniet ik van de koelte c.q. frisse lucht en we lopen wat rond door de ruïnes van het arbeidersdorpje waarna onze chauffeur ons weer op komt halen om naar de volgende bezienswaardigheid te gaan; het Ramesseum.

Farao Ramses II heerste 67 jaar over Egypte. Met het Ramesseum, zijn dodentempel, wilde hij zijn eeuwige grootheid tot uitdrukking brengen en zijn onderdanen imponeren. Het enorme complex ligt nu grotendeels in puin; ooit stond er een 18 m hoog en 1000 ton wegend beeld van Ramses, dat nu in brokstukken over het terrein verspreid ligt. Het Ramesseum is niet druk bezocht, we lopen er helemaal alleen, en daarom weten de mannen in de fotogenieke galabiya’s (jurken gedragen door mannen in Noord-Afrika) ons aardig goed te vinden. Telkens als we een foto willen maken van de tempel komt een man aangesneld om ook snel op de foto te komen. Als de foto dan geknipt is dan wil hij – hij staat immers op de foto – geld zien. Als we vervolgens zeggen dat we daar niet om gevraagd hebben en dat we geen foto van hem hoeven, bedeelt de man zich nog een tweede functie toe; die van aanwijsbordje. Steeds als we ook maar even ergens naar kijken wijst de man in dezelfde richting en zegt dat we daar een mooie foto van moeten maken. Als we dan inderdaad een foto maken van hetgeen we zelf dus ook al gezien hadden, dan wil hij weer geld zien. Hij heeft ons immers gewezen op het bijzonder mooie voorwerp/ gebouw/onderdeel dat nu op onze foto prijkt. Nou zijn wij echt de beroerdste niet om voor een dienst te moeten betalen, maar dit gaat ons wel eventjes een paar zuilen te ver. We hebben hem niet nodig, we zoeken liever zelf onze fotomomentjes en ons geld raken we ook op andere manieren wel kwijt. Kortom; weer een Egyptenaar die denkt twee wandelende portemonnees voor zich te hebben.

Dat het echter ook anders kan wordt even later duidelijk. We gaan lunchen bij het restaurantje bij het Ramesseum en bestellen een gerecht met aubergines, frietjes, kip en salade. Het eten smaakt redelijk, maar helemaal verzot zijn we op de aubergines die in een krokant laagje gefrituurd zijn. Omdat we het zo lekker vinden bestellen we nog een bordje met aubergines na. Het staat dan wel niet op de menukaart, maar de vriendelijke bediende spreekt gelukkig beter Engels dan de gemiddelde Egyptenaar en snapt wat we willen. Even later smikkelen we dan ook van een bord vol gefrituurde aubergines en als we willen afrekenen, vraagt hij niets voor de extra aubergines! Omdat hij het een groot compliment vindt dat we zijn aubergines zo lekker vinden. Kijk, zo kan het dus ook. En het levert hem uiteindelijk nog meer geld op ook, want we geven hem gewoon geld voor 3 volledige gerechten. Zo zie je maar dat vriendelijk zijn meer geld op kan leveren dan al dat gezeur en gezanik om ‘baksheesh’ voor volkomen nutteloze diensten en diensten waar we niet eens om gevraagd hebben.

Eindelijk wordt het dan tijd voor de Valley of the Kings, oftewel het Koningsdal, waar tal van belangrijke farao’s begraven lagen. Voor de oude Egyptenaren stond het westen – daar gaat immers de zon onder – gelijk met de dood. Als je dan de verlaten en onherbergzame woestijn in het westen daarbij optelt, dan is de plaats voor een laatste rustplaats zo bekeken. Niemand zou het wagen om de machtige farao’s er te storen in hun eeuwige rust. Althans, dat was de bedoeling. Toch pakte dit wat anders uit. Eerst waren er de grafrovers. Ondanks alle geheimzinnigheid werden alle sarcofaagkamers geplunderd, met uitzondering van die van Joeja en Toeja en het graf van Toetanchamon, dat in 1922 door Howard Carter werd ontdekt. Daarna kwamen de archeologen, die de mysteries van het oude Egypte wilden ontrafelen. En nu zijn er de toeristen, die de plaatjes uit hun geschiedenisboeken wel eens met eigen ogen willen bekijken. In grote groepen dolen ze met hun reisgidsen luid kwebbelend door de grafkamers in de vallei die eigenlijk tot op de dag van vandaag verborgen had moeten blijven. In de grafkamers is overigens – buiten de kleurrijke schilderingen – niet veel meer te zien; om verdere grafschennis te voorkomen zijn de mummies en hun schatten al in 1881 overgebracht naar het Egyptisch Museum in Caïro.

We kopen een ticket dat recht geeft om 3 willekeurige graven te bezoeken en we worden met een treintje naar de graven gebracht. Als eerste bezoeken we het graf van Ramses I, stichter van de 19de dynastie. Het rotsgraf is klein, maar verfijnd en in de grafkamer staat een granieten sarcofaag. De gangen en sarcofaagkamer zijn versierd met allerlei voorstellingen van de reis door de onderwereld en rituele schilderingen om de farao’s bij te staan in het hiernamaals.

Hierna bezoeken we de tombe van Ramses IX, de meest bezochte tombe in de vallei. Bij de ingang bekijkt de bewaker ons ticket waarin het geperforeerde gaatje van de vorige tombe zit. Hij kijkt sneeky om zich heen en vraagt vervolgens of we individueel of met een groep zijn. Als dan blijkt dat we individueel zijn knipt hij geen gaatje in onze tickets maar in plaats daarvan gebaart hij ons door te lopen. In eerste instantie hebben we het niet eens door, maar later wordt duidelijk waarom; zoals overal in Egypte de onvermijdelijke en afgedwongen ‘baksheesh’…

Het lange, steil aflopende graf van Ramses IX is typerend voor de periode van de latere farao’s met de naam Ramses. Op de schuine muren van de gangen staan voorstellingen over de nachtvaart van de zonnegod. Een vertrek met 4 zuilen voert naar de sarcofaagkamer, waarin de godin Noet, omringd door sterren, op het imposante plafond prijkt.

Bij de uitgang herkent de bewaker ons meteen en ja hoor, daar gaat zijn hand al omhoog en beginnen zijn vingers te schuiven. De bewaker denkt ons met zijn ‘niet knippen’ een dienst te hebben bewezen; we kunnen daardoor immers een graftombe extra bezichtigen. Maar wij hebben echter geen zin de man wat te geven, want punt 1) we hebben hier niet om gevraagd, punt 2) we hebben de tijd niet om een vierde graf te bezichtigen want onze chauffeur haalt ons zo op, en punt 3) we hebben niet de behoefte om – hoe mooi ook – nog een vierde graftombe te zien. Het is al richting einde van de middag en we krijgen toch wat last van een zekere ‘graven- en tempelmoeheid’. Kortom; drie graftombes bezoeken is voor ons gewoon voldoende. En dus lopen we door, een verontwaardigde bewaker achterlatend.

Bij de derde graftombe die we willen bezichtigen, die van Ramses VII, bekijkt de bewaker ons ticket en vraagt hij of we individueel of met een groep zijn. Niet weer… We maken duidelijk dat we individueel zijn, maar dat we BESLIST een knipje in ons kaartje willen hebben. De beste man snapt er niets van en aangezien hij dus niets aan ons kan verdienen probeert hij – wederom ongevraagd – nog wat ‘baksheesh’ los te peuteren door als gids te fungeren. Hij loopt met ons mee naar binnen, wijst op wat afbeeldingen die we zelf ook wel kunnen zien, en kijkt ons als we eenmaal buiten zijn verwachtingsvol aan. De bewaker heeft helaas pech ons te treffen want wij doen niet aan fooien voor ongevraagde diensten. Volgende toerist beter, zou ik zeggen.

We laten de graftombes achter ons en gaan naar de volgende bezienswaardigheid. Tegen de onverbiddelijke bergen van Deir al-Bahri voltrekt zich een adembenemend schouwspel; hier verheft de deels in rotsen uitgehouwen Dodentempel van Hatsjepsoet, de enige vrouwelijke farao in de Egyptische geschiedenis, zich terrasgewijs op de woestijnvlakte.

Voordat we het terrein van Hatsjepsoet mogen betreden worden we – zoals overal in Egypte – weer onderworpen aan verschillende veiligheidscontroles. Dat is niet voor niets; ooit was de tempel van Hatsjepsoet het decor voor een van de bloedigste terreurdaden uit de Egyptische geschiedenis. Op 17 november 1997 opende een groep van 6 terroristen, vermomd als veiligheidskrachten, het vuur op toeristen die net uit de bussen waren gestapt op het parkeerterrein bij de tempel. De toegesnelde gewapende toeristenpolitie en militaire strijdkrachten wisten de schutters in een vuurgevecht te doden, maar desondanks werden er 62 mensen om het leven gebracht, waarvan 58 toeristen, 3 politieagenten en een reisgids. De aanslag werd uitgevoerd door twee verschillende moslimfundamentalistische groeperingen, die verdacht worden aan Al Qaida gelieerd te zijn.

Na ook hier de nodige tijd te hebben gespendeerd keren we terug naar onze chauffeur en als we weer richting Nijl rijden worden we nagekeken door de twee enorme ontzagwekkende Memnonkolossen van 18 m hoog. Het zijn beelden van Amenhotep III op zijn troon en de kolossen bewaakten de toegang tot Amenhoteps dodentempel. Latere farao’s roofden er bouwmaterialen vandaan en ook de jaarlijkse overstromingen eisten hun tol, zodat er slechts twee gezichtsloze kolossen resten, aangetast door de tand des tijds, maar nog steeds imposant.

We verlaten de westoever, de Stad van de Doden, en binnen een kwartiertje staan we al weer op de oostoever, Stad van de Levenden. En ‘geleefd’ wordt er, want enige minuten later laten we ons de hapjes en drankjes al genietend in het zonnetje goed smaken...

’s Avonds pikken we een leuk restaurantje uit de Lonely Planet, Sofra, en we gaan op pad. Helaas blijken we niet de enigen te zijn met dit idee en heel Sofra zit bomvol. We kunnen wel een reservering plaatsen voor morgen. En dat doen we dan maar. We zoeken vervolgens een ander restaurantje op en daarna struinen we wat over de souq. Dit keer met een doel; we willen een sheesha gaan kopen. Helaas vinden we de een nog kitscheriger en blikkeriger dan de ander en na de zoveelste gammele sheesha in mijn handen gedrukt te hebben belanden we in een winkeltje met … dezelfde troep. Als we de verkoper uiteindelijk zeggen dat we de sheesha’s er veel te toeristisch (lees: te goedkoop) uit vinden zien en dat we liever een degelijke (echte) hebben, rent de jongen weg om even later terug te komen met een sheesha van messing. Hij is wat smoezig, waarschijnlijk komt hij bij opa of papa uit de kast, maar het is er wel een van een zwaardere en degelijke kwaliteit. Met andere woorden; we hebben onze sheesha gevonden!

We spreken een leuke prijs af, maar voor dat bedrag moet hij hem nog wel even schoonmaken. Geen probleem en weer rent de jongen weg. Als hij dan een paar minuten later terug komt laat hij vluchtig de glimmende sheesha zien om hem vervolgens wel heel snel in een tasje te proppen. Martijn, die met zijn havikogen altijd alles ziet vermoedt dat het een andere is dan die ze ons net hebben laten zien. En ook ik vind het snelle wegfrommelen ineens erg verdacht overkomen en dus vragen we of dit een andere sheesha is. Bij hoog en laag beweert de verkoper dat ze eerlijke verkopers zijn (“We are very honest people!”), dat ze nooooiiiit toeristen oplichten en dat dit toch echt de sheesha is die hij ons heeft laten zien. Maar als Martijn de sheesha uit wil pakken om hem nog eens aan een nader onderzoek te onderwerpen wordt de sheesha door een andere verkoper ruw uit zijn handen gegrist. Hmmm, dit maakt het verhaal helemaal verdacht en nou willen we hem zien ook. En dus bekijken we de sheesha en ja hoor, de aap komt uit de galabiya; het blijkt een andere te zijn. De verkoper had blijkbaar geen zin om het ding schoon te moeten maken en toen heeft hij maar een andere – minder mooie – gepakt. We willen eigenlijk weglopen en de koop niet door laten gaan, maar onze hebzucht – deze sheesha is echt heel mooi – wint het dit keer toch echt van onze principes.

Uiteindelijk wordt onze sheesha vakkundig en voor onze neus met een limoentje schoongeboend om vervolgens, goedgekeurd en wel, met kooltjes, appeltabak en munttabak in een tasje te verdwijnen.

 

Vorige dag Volgende dag